Stichting Benchmark GGZ

Toon het menu Verberg het menu
BRaM

Hier vindt u informatie over onze Benchmarkrapportage Module (BRaM) en op welke wijze u deze kunt bedienen en begrijpen.

Berekeningen - respons afgesloten DBC-trajecten

Laatst gewijzigd op: 03 mei 2018

Hier staat beschreven hoe de responsstatus wordt bepaald van:

  1. een DBC-traject
  2. het landelijk gemiddelde
  3. de zorgaanbieder/per afdeling.

Responsstatus DBC-traject

Laatst gewijzigd op: 15 december 2017

De responsstatus van een DBC-traject geeft aan of het DBC-traject door SBG wordt gezien als een ‘completer’ (zowel voor- als nagemeten), een ‘dropout’ (wel een voormeting, maar geen nameting), een ‘non-starter’ (geen voormeting, wel een nameting) of een ‘non-responder’ (geen voormeting en geen nameting).

Het bepalen van de responsstatus gebeurt op basis van het volgende stappenplan. Hierbij wordt eerst gekeken of er per meetdomein een geldige voor- en nameting aanwezig zijn (stap 1) en vervolgens wordt bepaald welk meetdomein bepalend is voor de uiteindelijke responsstatus van het DBC-traject (stap 2).

Stappenplan bepaling responsstatus

Stap 1. metingen controleren per meetdomein
Bepaal welke meetdomeinen zijn gedefinieerd voor de bij het DBC-traject opgegeven zorgdomein (zie SBG Minimale Dataset). Bepaal vervolgens voor ieder meetdomein of het traject binnen dat meetdomein wel of niet gemeten is:

  1. Is er een voormeting aangeleverd?
  2. Is deze voormeting gedaan met een geldig meetinstrument?
  3. Is het meetinstrument van de voormeting geldig voor de bij het DBC-traject behorende zorgdomein?
  4. Is het meetinstrument van de voormeting geldig voor het betreffende meetdomein?
  5. Is de score van de voormeting een geldige score voor dat meetinstrument?
  6. Is het meetmoment van de voormeting binnen de toegestane marge?

Bepaal de geldigheidsstatus van de voormeting: alleen bij 6 maal ‘ja’ is er spraken van een geldige voormeting.

  1. Is er een nameting aangeleverd?
  2. Is deze nameting gedaan met een geldig meetinstrument?
  3. Is het meetinstrument van de nameting geldig voor de bij het DBC-traject behorende zorgdomein?
  4. Is het meetinstrument van de nameting geldig voor het betreffende meetdomein?
  5. Is het meetinstrument van de nameting gelijk aan het meetinstrument van de voormeting, indien er sprake is van een geldige voormeting?
  6. Is de score van de nameting een geldige score voor dat meetinstrument?
  7. Is het meetmoment van de nameting binnen de toegestane marge?
  8. Is de datum van de nameting groter dan de datum van de voormeting indien er sprake is van een geldige voormeting?
  9. Is het type respondent van de nameting gelijk aan het type respondent van de voormeting indien er sprake is van een geldige voormeting?

Bepaal de geldigheidsstatus van de nameting: bij 9 maal ‘ja’ spreken we van geldige nameting. Bij minder is het geen geldige nameting.

Bepaal de status van het DBC-traject op het betreffende meetdomein:

  • Bij een geldige voormeting & een geldige nameting: 'completer'
  • Bij een geldige voormeting & geen geldige nameting: 'dropout'
  • Bij geen geldige voormeting & een geldige nameting: 'non-starter' 
  • Bij geen geldige voormeting & geen geldige nameting: 'non-responder' 

Stap 2. responsstatus DBC-traject
Bepaal vervolgens de responsstatus van het gehele DBC-traject als volgt:

Situatie A: Er is voor het zorgdomein één verplicht meetdomein:

  1. Selecteer uit de responsstatussen per meetdomein (stap 1) alleen die responsstatussen van het verplichte meetdomein.

Situatie B: Er zijn voor het zorgdomein twee of meer verplichte meetdomeinen:

  1. Selecteer uit de responsstatussen per meetdomein (stap 1) alleen die responsstatussen van de verplichte meetdomeinen.
  2. Selecteer daaruit de minst gunstige responsstatus in de volgorde (van gunstig naar minst gunstig): ‘completer’ (gunstigste), ‘dropout’, ‘non-starter’, ‘non-responder’.

Situatie C: Er zijn voor het zorgdomein geen verplichte meetdomeinen (aanlevering op één van de meetdomeinen is voldoende):

  1. Selecteer uit de responsstatus van alle bij het zorgdomein betreffende meetdomeinen de meest gunstige responsstatus in de volgorde: ‘completer’ (gunstigste), ‘dropout’, ‘non-starter’, ‘non-responder’ (minst gunstig).

Fictieve voorbeelden

  • Voorbeeld A: Zorgdomein Fictieve Psychiatrie heeft twee meetdomeinen, namelijk ‘Klachten’ (verplicht) en ‘Functioneren’ (optioneel). Een traject heeft een geldige voor- en nameting voor ‘Klachten’ en daarnaast alleen een geldige voormeting voor ‘Functioneren’. Omdat alleen het domein ‘Klachten’ verplicht is, geldt de responsstatus daarvan als responsstatus van het DBC-traject. De responsstatus voor het DBC-traject is dus eigenlijk ‘completer’ (Zie Stap 1, situatie A).
  • Voorbeeld B: Zorgdomein Fictieve psychologie heeft twee meetdomeinen: ‘Klachten’ (verplicht) en’ Functioneren’ (verplicht). Een traject heeft een geldige voor- en nameting voor ‘Klachten’, en daarnaast alleen een geldige voormeting voor ‘Functioneren’. De responsstatus voor ‘Klachten’ is dus ‘completer, voor Functioneren ‘dropout’. De responsstatus van het DBC-traject is de minst gunstige, dus ‘dropout’ (Zie Stap 2, situatie B). Het bijbehorende meetdomein (het meetdomein dat verantwoordelijk is voor deze status) is ‘Functioneren’.
  • Voorbeeld C: Zorgdomein Fictieve Pedagogiek heeft twee meetdomeinen: ‘Klachten’ (optioneel) en ‘Functioneren’ (optioneel). Een traject heeft een geldige voor- en nameting voor ‘Klachten’ en daarnaast alleen een geldige voormeting voor ‘Functioneren’. De responsstatus voor ‘Klachten’ is dus ‘completer’, voor Functioneren ‘dropout’. De responsstatus van het DBC-traject is de meest gunstige, dus ‘completer’ (Zie Stap 2, situatie C).
behandelaar,bestuurmanagerbeleidsmed,onderzoeker,rapportagesgebruiken,respons,responsverlies,uitlegtoelichting,zorgverzekeraar
berekeningen,responsafgeslotendbctrajecten

Landelijk gemiddelde

Laatst gewijzigd op: 15 december 2017

Het landelijk responspercentage staat gelijk aan het percentage ‘completers’. Het berekenen van het landelijk responspercentage gaat als volgt:

  1. Gebruik alleen die trajecten die voldoen aan de te benchmarken criteria (met name prestatiecode zoals uitsluiten van crisis).
  2. Gebruik alleen die trajecten die voldoen aan onderstaande criteria, met uitzondering van ‘Organisatie’
    1. Alleen DBC-trajecten met een einddatum die valt binnen de te rapporteren periode.
    2. Alleen trajecten behorende bij het betreffende zorgdomein
    3. Alleen trajecten die voldoen aan de overige subgroepkenmerken.
  3. Gebruik alleen die trajecten waarvoor de Bruto-N controle niet op ‘rood’ staat.
  4. Bereken de percentages ‘completer’, ‘dropout’, ‘non-starter’, ‘non-responder’ op basis van de berekende responsstatus van DBC-trajecten die geselecteerd zijn op basis van criteria 1 t/m 3. Het percentage ‘completers’ staat gelijk aan het landelijk gemiddelde.
behandelaar,bestuurmanagerbeleidsmed,onderzoeker,rapportagesgebruiken,respons,uitlegtoelichting,zorgverzekeraar
benchmark,berekeningen,responsafgeslotendbctrajecten

Zorgaanbieder en afdeling

Laatst gewijzigd op: 15 december 2017
  1. Gebruik alleen die trajecten die voldoen aan te benchmarken criteria (met name prestatiecode zoals uitsluiten van crisis).
  2. Gebruik alleen die trajecten die voldoen aan onderstaande criteria. 
    1. Alleen DBC-trajecten met een einddatum die valt binnen de te rapporteren periode.
    2. Alleen trajecten behorende bij het betreffende zorgdomein.
    3. Alleen trajecten die voldoen aan de overige subgroep kenmerken.
    4. Alleen die trajecten behorende bij de Organisatorische Eenheid (en onderliggende Organisatorische Eenheden) waarover de responsstatus bepaald wordt.
  3. Gebruik alleen die trajecten waarvoor de Bruto-N controle niet op ‘rood’ staat.
  4. Bereken de percentages ‘completer’, ‘dropout’, ‘non-starter’, ‘non-responder’ op basis van de berekende responsstatus van DBC-trajecten die geselecteerd zijn op basis van criteria 1 t/m 3. Het percentage ‘completers’ staat gelijk aan de responsstatus van de zorgaanbieder.
  5. Bepaal de status van het responspercentage
  • als het aantal trajecten groter is dan 10: geen behandeleffect tonen.
  • indien het aantal trajecten tussen de 10 en 25 ligt: voorwaardelijk tonen door middel van een gestreepte balk.
  • indien aantal trajecten groter is dan 25: behandeleffect tonen.

behandelaar,bestuurmanagerbeleidsmed,onderzoeker,rapportagesgebruiken,respons,uitlegtoelichting,zorgverzekeraar
berekeningen,responsafgeslotendbctrajecten
top