Stichting Benchmark GGZ
Download starterskit
Vacatures

Veelgestelde vragen


Staat uw vraag hier niet tussen? Gebruik dan het zoek venster om te zoeken in de pagina’s van de website, het nieuws of in de Pdf documenten.



Algemeen

  • Ben ik als zorgaanbieder verplicht om deel te nemen aan de SBG Benchmark?
    Deelname aan de SBG Benchmark is een eigen keuze. SBG wordt wel genoemd in het convenant dat GGZ Nederland met Zorgverzekeraars Nederland heeft gesloten. Daarin is afgesproken dat alle GGZ N leden gaan deelnemen aan de SBG Benchmark. Maar het besluit om deel te gaan nemen ligt altijd bij de zorgaanbieder zelf.
  • Hoe is de onafhankelijkheid van SBG georganiseerd?
    SBG is tot stand gekomen in samenwerking met zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Het bestuur bestaat uit acht leden en wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. Drie leden komen vanuit de zorgaanbieders binnen de GZZ. Twee hiervan zijn afkomstig uit instellingen die lid zijn van GGZ Nederland en één lid vanuit de groep zorgaanbieders die niet aangesloten zijn bij GGZ Nederland. Daarnaast is er een patiëntvertegenwoordiger vanuit het Landelijk Platform GGZ en tenslotte zijn er drie leden die namens de zorgverzekeraars zitting in het bestuur hebben.

    De Wetenschappelijke Raad (WR) toetst het wetenschappelijk kader waarbinnen de stichting opereert en is belast met het toezicht daarop. Zo bewaakt de WR het gebruik van gevalideerde en/of bewezen methoden en technieken. De WR brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan het bestuur en de directie van de stichting. Het bestuur en de directie zijn gehouden de adviezen op te volgen voor zover deze direct dan wel indirect betrekking hebben op het wetenschappelijke kader waarbinnen de stichting opereert.

    De Expertraad (ER) heeft tot taak de stichting te adviseren op het gebied van benchmarking over meetdomeinen en meetinstrumenten per zorgdomein binnen de GGZ. In de ER komen experts vanuit het (ROM) GGZ veld en SBG bij elkaar om gezamenlijk zorg te dragen voor een goede afstemming tussen ROM en de benchmark. De Stichting sluit overeenkomsten met zorgaanbieders (instellingen) en zorgverzekeraars. Op basis van de overeenkomst wordt de betreffende organisatie “Gebruiker” van de Benchmark Rapportage Module (BRaM) van de stichting. Iedere Gebruiker kan een lid afvaardigen voor de Gebruikersraad (GR). De GR heeft tot taak de gemeenschappelijke belangen van de Gebruikers op centraal niveau te behartigen.
  • Hoe wordt SBG gefinancierd?
    De marktpartijen zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben afgesproken dat het meten van de behandeleffecten door de zorgaanbieder wordt betaald en dat het benchmarken wordt betaald door de zorgverzekeraars. Op basis van dit besluit wordt SBG gefinancierd door de zorgverzekeraars.
  • Wie heeft er toegang tot BRaM?
    Alle partijen, zowel zorgaanbieders als zorgverzekeraars, waar wij een overeenkomst mee hebben. Toegang tot BRaM is alleen mogelijk met behulp van een persoonlijk VECOZO certificaat. In het SBG Dataprotocol staat precies vastgelegd wat de verschillende Gebruikersgroepen zijn, wat de doelen voor gegevensverzameling zijn, hoe de gebruiksrechten en gebruik van de gegevensverzameling is geregeld en wat de verantwoordelijkheden van de partijen zij met betrekking tot aanlevering van data, beheer van data, bewerking van data en verstrekking van rapportages.
  • Wie bepaalt of het SBG Dataprotocol aangepast kan worden?
    Het wijzigingsbeding vormt een belangrijk onderdeel van de Overeenkomst Zorgaanbieders. Hierin is vastgelegd dat onder strikte voorwaarden het dataprotocol en de bijbehorende bijlagen eenzijdig vanuit de Stichting gewijzigd kunnen worden. De strikte voorwaarden voorzien in een besluit van het bestuur, gedurende 2011 met 7/8 van de stemmen, gedurende 2012 met ¾ van de stemmen en de jaren daarop volgend met meerderheid van stemmen.
  • Kan ik voor mijn onderzoek toegang krijgen tot het totale databestand van SBG?
    In het SBG Dataprotocol staat specifiek beschreven hoe de Stichting om moet gaan met de data. Voor wat betreft het vrijgeven van data ten behoeven van (wetenschappelijk) onderzoek geldt in ieder geval dat een data aanleverende instelling ‘per aanvraag’ zelf bepaalt of hun data mag worden aangewend of niet. Zij beslist dus zelf over het ter beschikking stellen van de (geanonimiseerde) gegevens ten behoeve van onderzoek en publicaties die daaruit mogelijk voortvloeien.
  • Kan een zorgverzekeraar de gegevens inzien?
    Ja, een zorgverzekeraar kan op instellingsniveau rapportages inzien die gemaakt zijn op basis van de door de zorgaanbieders aangeleverde data. De aangeleverde data zelf kan de zorgverzekeraar niet inzien. Alle afspraken over rapportages worden gedetailleerd beschreven in de Gebruikersovereenkomst die SBG sluit met een zorgaanbieder en een zorgverzekeraar. In de overeenkomst met de zorgaanbieder wordt daarnaast expliciet aangegeven tot op welk niveau de zorgverzekeraar informatie mag ontvangen van deze zorgaanbieder (zie bijlage B van het dataprotocol).
  • Welke verzekeraar krijgt inzicht in mijn rapportage?
    Zorgverzekeraars waar de zorgaanbieder een inkooprelatie mee heeft krijgen inzage in de rapportages van de betreffende zorgaanbieder. Zorgaanbieders die middels het representatiemodel contracteren hebben op die wijze met alle zorgverzekeraars een inkooprelatie.
  • Wat gebeurt er met mijn gegevens als ik mijn contract opzeg?

    De data die op het moment waarop het contract daadwerkelijk eindigt in de database zitten, blijven meetellen in de SBG Benchmark. De gegevens zijn niet meer toegankelijk voor de zorgaanbieder. De zorgverzekeraar kan nog twee jaar na het aflopen van het contract de gegevens van de instelling op instellingsniveau bekijken. Na twee jaar zijn de data niet meer beschikbaar voor de zorgverzekeraar. 


Inhoud

  • Is benchmarken hetzelfde als Routine Outcome Monitoring?
    Nee. Routine Outcome Monitoring is herhaaldelijk de uitkomst van de behandeling meten bij individuele patiënten met het doel voor de behandelaar om bij de patiënt de vinger aan de pols te houden. En benchmarken is het behandeleffect van een groep patiënten vergelijken met een eigen of een landelijke norm. De gegevens van ROM kunnen wel gebruikt worden voor de SBG Benchmark.
  • Hoe gaat SBG om met case mix correctie?
    Op advies van de Wetenschappelijke Raad van SBG is vooralsnog besloten pas casemix correctie op de benchmarkresultaten toe te gaan passen, wanneer we over voldoende gegevens beschikken om te bepalen welke factoren relevant zijn en welk gewicht deze factoren moeten krijgen als corrigerende factor. Op dit moment is het nog niet zover, maar wordt wel de mogelijkheid geboden om subgroepen te selecteren om een benchmark over te bepalen.
  • Wat is de T-score?
    De T-score is een standaardscore, net als de IQ-score. Het is de vertaling van een score van een specifieke vragenlijst naar een score die vergelijkbaar is met andere soorten vragenlijsten. Deze T-score heeft een gemiddelde van 50 en een standaarddeviatie van 10.
  • Hoe worden T-scores berekend?
    De T-score wordt berekend door de ruwe score te verminderen met de gemiddelde score en het resultaat te delen door de standaardafwijking. De gestandaardiseerde Z-score die hieruit resulteert wordt met 10 vermenigvuldigd en er wordt 50 bij opgeteld. Een patiënt met een score van 118 op de SCl-90 totaal schaal heeft daarmee een T-score van 50. Met T-scores worden de scores van verschillende vragenlijsten onderling vergelijkbaar. Voor het omzetten van ruwe scores naar genormaliseerde T-scores wordt een opzoektabel gebruikt. Een uitgebreide beschrijving van de T-score is te vinden in de De Beurs (2010) Maandblad Geestelijke Volksgezondheid (MGv), p. 684-695. Zie ook WP-Tscores.
  • Welke meetinstrumenten kunnen worden gebruikt voor benchmarking van behandeleffecten?

    Op dit moment zijn er en aantal zorgdomeinen gereed waarvoor benchmarks berekend worden. Per zorgdomein zijn er meetdomeinen vastgesteld waarop gebenchmarkt wordt. Per meetdomein zijn er vragenlijsten als meetinstrument geselecteerd. Zie voor een overzicht van de zorgdomeinen, meetdomeinen en de vragenlijsten het document SBG zorgdomeinen, meetdomeinen, meetinstrumenten.

    De gekozen vragenlijsten worden veel gebruikt in de GGZ, ze zijn uitgebreid onderzocht op betrouwbaarheid en validiteit en zijn vergelijkbaar gevoelig voor verandering over de tijd. In overleg met experts uit de relevante GGZ-velden zijn de meetinstrumenten per domein gekozen. Er zijn criteria opgesteld en er is een procedure afgesproken om ook andere meetinstrumenten toe te laten tot de verzameling van geschikte instrumenten.

    Door een zogenaamd equivalentie-onderzoek uit te voeren kan een nieuw meetinstrument goedgekeurd worden voor gebruik voor de benchmark. Belangrijkste eis daarbij is dat nieuwe meetinstrumenten in gelijke mate gevoelig zijn voor verandering over de tijd. Zie hiervoor White Paper Meetinstrumenten. Op dit moment lopen er equivalentie-onderzoeken naar onder meer de Korte Klachtenlijst (KKL), de CORE-34 en de HADS.

  • Mag één meting gelden voor twee parallelle (gelijktijdige) DBC trajecten?
    In principe kan eenzelfde meting inderdaad voor twee parallelle DBC trajecten gebruikt worden, mits de meting aan de overige voorwaarden voldoet. Een punt van aandacht is wel dat parallelle DBC trajecten volgens de DBC regels geen betrekking kunnen hebben op dezelfde problematiek/hoofddiagnose. Daardoor zullen parallelle DBC’s vaak in verschillende zorgdomeinen vallen. Beide zorgdomeinen kunnen andere geldige meetinstrumenten hebben, bijvoorbeeld Volwassenen kort en Verslaving lang. In dat geval kunnen uiteraard niet dezelfde metingen gebruikt worden.
  • Kunnen ROM-tussenmetingen (aard meting) gelden als eindmeting voor benchmarking?
    Voor het bepalen van de respons kijken wij uitsluitend of er geldige metingen zijn aangeleverd rondom de start en eind van het DBC traject. Het veld “aard meting” doet hier niet ter zake. Bij langlopende trajecten (meerdere seriële DBC’s) is het zelf logisch dat als eindmeting van het initiële DBC een meting gekozen wordt die in het kader van ROM een tussenmeting is. (Dat zou ook niet anders kunnen want anders zouden langlopende behandelingen nooit een eindmeting bij het initiële DBC kunnen krijgen).

    Het aanleveren van informatie in dit veld heeft dus geen enkel effect op de gerapporteerde respons. Het veld “aard meting” is geïntroduceerd om op termijn te kunnen bezien of het moment waarop de meting heeft plaatsgevonden een effect heeft op het gemeten behandeleffect en zou in de toekomst eventueel een casemix-variabele voor behandeleffect kunnen worden.
  • Waar ligt de grens tussen Verslaving kort en Verslaving lang?
    De grens tussen Verslaving kort/lang is afhankelijk van de behandelambities bij de specifieke behandeling. Indien de behandeling zich primair richt op het gebruik, dan valt die behandeling binnen Verslaving kort (curatief). Indien de behandeling zich niet primair richt op het gebruik, maar op het functioneren van de patiënt is er sprake van Verslaving lang (care).

    U kunt als instelling zelf het beste beoordelen in welke categorie uw patiënten vallen, bijvoorbeeld op basis van de locatie of op basis van informatie van de behandelaar. SBG maakt dit onderscheid omdat het weinig zinvol is om behandeleffecten te bepalen op uitsluitend “gebruik”, indien de behandeling zich juist richt op functioneren of visa versa. Of u een specifiek DBC traject laat meetellen bij Verslaving lang of bij Verslaving kort is dus een afgeleide van de doelen die uw instelling heeft bij de behandelingen. Deze kunnen per DBC traject verschillen.
  • Waar ligt de grens tussen Volwassenen kort en Volwassenen lang?
    Het onderscheid tussen Volwassenen kort en Volwassenen lang is gebaseerd op de circuits van DBC Onderhoud (DIS). Indien u dus een cuircuitcode aanlevert ten behoeve van DIS bij het DBC traject, dan kunt u die informatie ook voor SBG overnemen. Een sluitende definitie tussen beide zorgdomeinen is niet te geven.

    De wijze waarop in uw instelling, op een specifieke afdeling of bij een individuele patiënt wordt gemeten (voor ROM) is leidend voor de vraag in welk zorgdomein het DBC traject valt. Leidend voor het bepalen van het juiste zorgdomein is dus de vraag wat de aard van de psychoproblematiek is en wat de primaire behandelambities zijn. Op basis van deze vragen kiest een instelling het type instrumenten dat wordt gebruikt voor ROM, dat het beste aansluit op het zorgtraject.

    Deze keuze voor ROM geeft aan onder welk SBG zorgdomein dit traject valt. Bijvoorbeeld, indien er wordt geROMd met de HoNOS (een instrument voor Functioneren), dan is er sprake van Volwassenen lang. Wordt daarentegen de SCL90 ingezet omdat vooral klachten & symptomen gemonitord moeten worden, dan is er sprake van Volwassenen kort. Ook indien u nog niet ROMt in uw instelling, dan is de vraag welke instrumenten u het effectiefst en zinvolst in kunt zetten in het kader van ROM leidend voor de keuze van het zorgdomein.
  • Hoe om te gaan met het MDS attribuut “Aard meting”?

    Wat wordt in het MDS bedoeld met “aard meting” en hoe kunt u we dat bepalen?

     

    Het attribuut “aard meting” onder het element meting is bedoeld om aan te geven op welk moment in de ROM cyclus de meting is afgenomen.

     

    De antwoordcategorieën zijn:
    1. Aanmelding,
    2. Intake,
    3. Start behandeling,
    4. Tussenmeting,
    5. Einde behandeling,
    6. Follow-up nameting.

     

    Informatie omtrent de aard van de meting is belangrijk omdat dit van invloed is op het gemeten behandelresultaat. Zo is bekend dat de patiënt meer en zwaardere klachten presenteert bij de intake dan bij de feitelijke start van de behandeling.

     

    Welke meting als uitgangspunt wordt gebruikt voor de afname van klachten is van invloed op de grootte van het behandelresultaat. Om in de toekomst deze verschillen inzichtelijk te kunnen maken is informatie nodig omtrent de aard van de meting. Met deze gegevens kunnen we de benchmark verder ontwikkelen.

     

    Wat u aanlevert bij het veld “aard meting” heeft géén consequenties voor de vraag of de meting geldig is als voor- of nameting (en heeft daarmee ook geen gevolgen voor de respons).

     

    Idealiter staat de informatie omtrent de “aard meting” standaard in de ROM applicatie. Omdat dat meestal nog niet het geval is zal de aard meting afgeleid moeten worden uit andere gegevens. Hieronder volgt een uitwerking van de antwoordcategorieën, met een leidraad hoe deze afgeleid zouden kunnen worden.

     

    1. Aanmelding: de meting is direct gedaan ten tijde van de aanmelding, maar nog voor het intake-gesprek. De datum van het intakegesprek is doorgaans voorhanden in het epd-systeem.
    2. Intake: de meting vond plaats tijdens of vlak voor het intakegesprek. De datum van het intakegesprek is doorgaans voorhanden in het epd-systeem.
    3. Start behandeling: de meting vond plaats rondom de eerste behandelsessie (is eerste sessie waarvoor behandeltijd wordt geschreven), maar in elk geval ná de intakesessie.
    4. Tussenmeting: de meting vond plaats ná de meting rond de start van de behandeling (zie 3. hierboven), maar vóór het einde van het gehele de behandeltraject (inclusief eventuele vervolg-DBC trajecten). Indien de ROM-cyclus eerder stopt dan de behandeling dan is de laatste meting een tussenmeting en niet een “Einde behandeling” meting.
    5. Einde behandeling: de meting rondom de laatste sessie van een zorgtraject (niet DBC-traject), in tijd dicht bij de laatste sessie van het zorgtraject (bij voorkeur niet meer dan twee weken ervoor).
    6. Follow-up: een meting na een substantiële tijd (bijvoorbeeld meer dan drie maanden) ná het formele einde van het zorgtraject.

     

    Relatie “aard meting” en “type meting”
    De “aard meting” is een ander veld dan het veld “type meting”. “Type meting” geeft aan of de meting in het kader van benchmarking geldt als een voormeting of als een nameting. Hiervoor zijn de koppelregels zoals verwoord in het MDS en uitgewerkt in de PoC (op te vragen via servicedesk@sbggz.nl) beslissend.

     

    De “aard meting” wordt bepaald aan de hand van de hierboven beschreven criteria. Er is géén één op één relatie tussen “aard meting” en “type meting” te leggen.

     

    Wel krijgt een voormeting in het kader van ROM meestal als “aard meting” de waarde aanmelding, intake of start behandeling mee. De voormeting bij een vervolg-DBC is meestal een ROM-tussenmeting, omdat er naar alle waarschijnlijkheid al eerder gemeten is bij diezelfde patiënt tijdens het initiële DBC. Een nameting is doorgaans ofwel een ROM-tussenmeting of een ROM-einde behandeling.

  • Hoe om te gaan met ongedefinieerde zorgdomeinen?

    Autisme, Psychogeriatrie en Forensische psychiatrie

    De zorgdomeinen Autisme, Psychogeriatrie en Forensische psychiatrie zijn momenteel nog niet ingevuld met concrete meetinstrumenten. Hiervoor wordt nog gewacht op input van de expertraad en de Wetenschappelijke Raad. Voor psychogeriatrie zal dit naar verwachting eind 2011 gereed zijn, voor de andere twee in de loop van 2012. Totdat deze domeinen zijn ingevuld gelden de volgende regels:
    • DBC trajecten die vallen onder Autisme, Psychogeriatrie en Forensische psychiatrie worden wel aangeleverd bij SBG (alle DBC trajecten worden aangeleverd).
    • Voor deze domeinen kunnen er nog geen metingen worden meegeleverd.

     

    De trajecten worden wel meegenomen in de berekening van de respons. SBG maakt de respons ook per zorgdomein inzichtelijk, dus dan wordt duidelijk hoe volledig er gemeten is als je deze drie domeinen buiten beschouwing laat.

     

    Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat instellingen deze trajecten onder een ander zorgdomein gaan aanleveren. U zou bijvoorbeeld een kind met een hoofddiagnose autisme kunnen meten met de CBCL.  Wanneer u deze DBC met CBCL metingen zou aanleveren onder het zorgdomein Kinderen en Jeugd dan wordt het behandeleffect vergeleken met het behandeleffect van kinderen zonder de diagnose autisme. Dit leidt tot het vergelijken van appels met peren. Uitgangspunt moet blijven dat het gekozen instrumentarium een zinvolle uitkomstmaat is voor de betreffende populatie en een zinvolle invulling voor de ROM bij de patiënt.

     

    Bipolaire stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen

    Bipolaire stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen zijn op dit moment geen aparte zorgdomeinen. Deze DBC-trajecten kunnen dus nu al aangeleverd worden met de meetinstrumenten die worden genoemd bij de zorgdomeinen volwassenen lang en kort. De instelling moet zelf een inhoudelijke keuze moeten maken of deze trajecten onder Volwassenen lang of Volwassenen kort worden aangeleverd. (zie ook de FAQ over volwassen kort/lang in nieuwsbrief 3 van SBG )

     

  • De set van meetinstrumenten die SBG momenteel hanteert en in de toekomst

    Om te kunnen benchmarken op behandeleffecten zijn meetinstrumenten nodig die het bereikte effect zo nauwkeurig mogelijk in kaart brengen. Om instellingen daadwerkelijk met elkaar te kunnen vergelijken is het bovendien nodig dat alle instellingen hetzelfde meetinstrument gebruiken, of verschillende meetinstrumenten gebruiken die equivalent zijn op meetpretentie én gevoeligheid voor verandering (responsiviteit).

     

    De huidige set van SBG-instrumenten
    De huidige set van meetinstrumenten van SBG is tot stand gekomen op basis van de adviezen van de Wetenschappelijke Raad van SBG en de aanbeveling van de stuurgroep ROM. De huidige set komt tegemoet aan het feit dat veel instellingen al een ROM-traditie hebben opgebouwd, maar niet altijd met dezelfde meetinstrumenten. Voorts is voor enkele zorgdomeinen nog niet bekend welk meetdomein de eerste voorkeur zou moeten zijn om te komen tot een benchmark. Voorlopig is besloten dat op alle meetdomeinen binnen een zorgdomein gegevens aangeleverd kunnen worden bij SBG. Voordeel van deze werkwijze is dat SBG op basis van empirie kan komen tot een goed onderbouwd advies voor een beperktere set van meetdomeinen en meetinstrumenten voor de benchmark.

     

    De toekomst
    Het bestuur van SBG heeft bepaald dat medio 2012 bekend moet zijn welke meetdomeinen voor de benchmark belangrijk zijn en gebruikt kunnen worden. Uiteindelijk zal er een situatie ontstaan waarin er per zorgdomein één primair meetdomein (of combinatie van meetdomeinen) wordt aangewezen.  Voor het zorgdomein Volwassenen Kort kan bijvoorbeeld “klachten en symptomen” centraal staan. De instelling dient in dat geval op dit meetdomein een geldige voor- en nameting met het betreffende instrument aan te leveren. Binnen het  meetdomein kunnen nog steeds één of meerdere onderling equivalente meetinstrumenten beschikbaar zijn. Bij Volwassenen Lang zou bijvoorbeeld een combinatie van “dagelijks functioneren” en “kwaliteit van leven” het beste uitgangspunt voor de benchmark kunnen zijn. Indien er per zorgdomein meerdere meetdomeinen essentieel worden geacht voor de benchmark, dan dienen ook op al die meetdomeinen voor- en nametingen aangeleverd te worden.

     

    De komende maanden zullen de primaire meetdomeinen en de meetinstrumenten worden vastgesteld. Deze vraag ligt in eerste instantie per zorgdomein voor aan de betreffende expertraden. Vervolgens zal de Wetenschappelijke Raad en uiteindelijk het bestuur van SBG hierover een definitieve beslissing nemen. Als in juni 2012 deze duidelijkheid verkregen is, treedt de nieuwe afspraak per 1 januari 2013 in werking. Dat geeft instellingen voldoende tijd om hun werkwijze en systemen waar nodig aan te passen.

     

    Scoringsinstructies
    Voor enkele instrumenten zijn op dit moment nog geen scoringsinstructies vastgesteld. Om een traject als geldig gemeten traject te laten meetellen, kunnen instellingen in plaats van totaalscores in deze gevallen nog itemscores aanleveren. Er zijn echter instellingen die liever geen itemscores aanleveren. Anderzijds is SBG niet in staat om te benchmarken op basis van aangeleverde data waarvoor er nog geen scoringsinstructies bestaan. Daarom worden de expertraden op korte termijn ook gevraagd een advies te geven over de scoringsinstructies van die instrumenten waarbij dat op dit moment nog ontbreekt. Zodra de scoringsinstructies bekend zijn zal SBG het MDS hierop aanpassen.

     

  • Attribuut Locatiecode en rapportage functionaliteit in BRaM

    In de minimale dataset vragen wij bij de locatiecode uit. De toelichting in de MDS (versie 20111104) luidt als volgt:

     

    Afhankelijk van de afspraak met SBG wordt hier opgegeven ofwel (1) de locatie of afdeling waar de patiënt wordt behandeld of (2) de locatiecode conform DIS: <Instelling_volgnr_DIS> Volgnummer dat aangeeft waar het zorgtraject wordt uitgevoerd.

     

    De reden dat wij dit attribuut uitvragen, is dat het de bouwsteen vormt om de rapportages in BRaM niet alleen op instellingsniveau, maar (indien gewenst) ook op divisie, afdeling, team, of zorgpad niveau te kunnen bekijken.

     

    Als u het attribuut Locatiecode niet aanlevert, kunt u de rapportages alleen op het hoogste niveau van de organisatie bekijken. U ziet dan hetzelfde als de zorgverzekeraar. Als u er voor kiest om het attribuut Locatiecode aan te leveren, dan heeft u de mogelijkheid om ook per afdeling, team etc. te gaan kijken. De zorgverzekeraar blijft alleen het hoogste niveau zien, conform de afspraken die daarover gemaakt zijn.

     

    Indien u meer sturingsinformatie wilt hebben per gewenste locatie, moet u dus het attribuut Locatiecode aanleveren. De keuze welke code u hier meegeeft, wordt bepaald door het niveau waarop u de rapportages wilt inzien. Wilt u sturen op afdelingsniveau, dan levert u hier de afdelingscodes aan. Wilt u dieper inzoomen, en per team kijken, dan levert u hier de teamcodering aan. U levert dus bij het attribuut Locatiecode de code van het laagste niveau van uw organisatie dat u wilt inzien in BRaM.

     

    Maar hoe weet SBG dan hoe ze deze laagste niveau locatiecodes samen moet voegen tot rapportages die zowel op team, als op afdeling, als op organisatieniveau goed zijn opgebouwd?

     

    In de mijlpalenplanning verwijzen wij naar het Excel document SBG Aanleveren Organisatiegegevens. Daar vragen wij u om vanaf dit laagste niveau, de samenhang tot bovenliggende niveaus aan te geven in tabblad 2 Organisatiestructuur. In de linkerkolom vult u de locatiecode in zoals die in de XML wordt aangeleverd. Vervolgens vult u de naam van dit laagste onderdeel in. Dit is de naamgeving die u terugziet in de rapportages in BRaM. Vervolgens geeft u het bovenliggende organisatieonderdeel door, en het daar bovenliggende niveau, etcetera.

     

    Zo kunnen wij BRaM voor u inrichten conform de hiërarchische structuur van uw organisatie, zodat u de rapportages op het door u gewenste niveau en met de voor u bekende naamgeving in kan zien.

     

    Het is van belang de locatiecodes helder te hebben alvorens een XML wordt samen gesteld. Wij ontvangen tabblad 2 van het document SBG Aanleveren Organisatiegegevens dan ook graag vroeg in het implementatieproces.

     

    Tabblad 3 van het Excel document SBG Aanleveren Organisatiegegevens roept ook veel vragen op. Het gaat hier niet specifiek over de inrichting van BRaM, maar om de autorisatie van de gebruikers binnen uw organisatie die u toegang wilt verlenen tot BRaM. Wie wilt u laten kijken naar de rapportages? En tot op welk organisatieniveau mogen zij kijken? Voor personen die u BRaM wilt laten gebruiken moet u een Vecozocertificaat aanvragen. Indien u tabblad 3 invult, zorgt SBG voor de correcte autorisatie en toegang van de door u aangegeven gebruikers van BRaM. Uiteraard kan dit altijd in een later stadium worden aangepast. 

     

    Wilt u rapportages zien tot op het niveau van de caseload van behandelaars? Dan geeft u in uw XML ook de attributen Alias behandelaar, Primaire of Neven en Beroep behandelaar mee. Van iedere DBC is dan duidelijk welke behandelaar verantwoordelijk is voor het behaalde resultaat. Door het aanleveren van het attribuut Locatiecode is voor ons meteen duidelijk bij welk organisatieonderdeel dat DBC van die behandelaar ondergebracht dient te worden. Als u deze drie attributen aanlevert, kunt u dus niet alleen op organisatieonderdeel kijken, maar ook op behandelaarniveau.

     

    Het is dus heel goed mogelijk om géén behandelaargegevens aan te leveren, en middels het attribuut Locatiecode toch op teamniveau te kunnen kijken. U kunt dan alleen niet inzoomen op de caseload van individuele behandelaren in het team. Vraagt u zich af welke indeling voor u op dit moment het meest voor de hand liggend is, en wat het groeipad zou kunnen zijn in de loop de tijd? Neemt u dan contact op met één van onze implementatie adviseurs, Astrid van Meeuwen of Jacqueline Verwij.

     


ICT

  • Hoe vaak moeten wij een databestand aanleveren aan SBG?
    Het is de bedoeling om te komen tot een maandelijkse aanlevering.
  • De XML valideert niet vanwege een melding over een niet uniek zorgtrajectnummer

    Bij het valideren tegen de XSD kan er een soortgelijke melding voor komen: “The value “xxxxx” was already matched by the <unique> identity constraint 'sbg:PKDBCZorgtraject' within the scope of element <Patient>” (bron: Altova XML Spy)  Dit duidt erop dat er bij het samenstellen van het XML bestand geen rekening is gehouden met de 1:n relatie tussen <Patient> en <Zorgtraject>
    Het verzamelen van de data gaat wel op basis van dbctrajecten maar het samenstellen van het bestand moet gebeuren conform de relaties in de XSD definitie.

  • XML validatie conform de XSD

    “XML-validatie”, “XSD”; het zijn termen die velen wellicht niet gelijk begrijpen. Desondanks betreft het een onderwerp dat belangrijk is voor het snel en goed bij SBG aanleveren van bestanden. De XSD is een technische beschrijving die exact specificeert hoe een XML-bestand, dat bij SBG aangeleverd wordt, eruit mag zien. XML-validatie is het checken of een bepaald bestand aan deze technische specificaties voldoet en dus verwerkt kan worden door SBG.

     

    Negentig procent  van de bestanden die SBG in eerste instantie binnenkrijgt stemt niet overeen met de opgestelde specificaties. Hierdoor loopt het ontwikkeltraject (samenstellen, testen en accepteren) aan beide kanten onnodig uit. Dat willen we voorkomen. Daarom vragen we de zorgaanbieder altijd om voorafgaand aan het insturen van een XML bestand eerst zelf het bestand te valideren. Lees verder

  • FAQ: De data-aanleverprocedure, van bestandsnaam tot FTP

    De eerste implementatiestappen zijn doorlopen en het is eindelijk zover, de eerste XML kan aangeleverd worden. Om te kunnen garanderen dat  de verwerking van de tientallen aanleveringen die we ontvangen op een juiste wijze wordt afgehandeld zijn we genoodzaakt hier duidelijke afspraken over te maken en deze na te leven. Spelregels voor het aanleveren staan beschreven in hoofdstuk 9 van de ‘SBG Handleiding Aanlevering MDS’ , de handleiding maakt onderdeel uit van de starterskit.

     

    Samengevat voldoet een aanlevering volgens de juiste procedure aan de volgende 4 voorwaarden: 

     

    • De XML valideert tegen de SBG XSD
      zie voor meer informatie het artikel ‘XML Validatie conform de XSD
    • De bestandsnaam voldoet aan de bestandsnaam conventie.

      AGBCODE_{TEST_}ZORGAANBIEDERNAAM_SBG_MAAND(MM)_JAAR(JJJJ)_VOLGNUMMER.xml

      Voorbeeld bestandsnaam van een TEST-bestand. De bestandsnaam voor de zorgaanbieder “ABC Zorg”voor een aanlevering in maart 2011 van data tot en met eind februari wordt: “12345678_TEST_ABC ZORG_SBG_02-2011-001.xml”.

      De genoemde maand in de bestandsnaam is direct gerelateerd aan het veld einddatumAangeleverdePeriode in de XML, waarover in hoofdstuk 8 (Parameters) van het eerder genoemde documenten ‘SBG Handleiding Aanlevering MDS’ gesproken wordt. Ter verduidelijking: In dit veld moet altijd de laatste kalenderdag van de maand staan (dus bijvoorbeeld t/m 31-12-2011 of bijvoorbeeld 29-2-2012).
       
    • Het XML bestand wordt aangeleverd op de beveiligde SFTP server*
    • De aanlevering wordt via e-mail aangemeld op servicedesk@sbggz.nl met als onderwerp: ‘Aanlevering {bestandsnaam}’

     

    Door deze afspraken kunnen we de bestanden correct in ons verwerkingsproces opnemen en de juiste terugkoppeling geven.

     

    * Toelichting op het aanleveren op de FTP server:
    Voor het overdragen van bestanden aan SBG wordt er gebruik gemaakt van een beveiligde verbinding, namelijk een SFTP (Secure File Transfer Protocol) verbinding. Het bestand wordt door middel van deze verbinding op onze server geplaatst.

     

    Om gebruik te maken van deze verbinding moet er een account aangevraagd worden bij SBG. Dit kunt u doen door een e-mail te zenden aan servicedesk@sbggz.nl. Vermeld daarin tevens of het gaat om een productie- of testaccount, het e-mail adres van de persoon die de bestanden gaat aanmelden, het IP-adres waar vanaf de verbinding wordt opgezet en de AGBCODE van de instelling. Nadat de SBG implementatie consultant heeft bevestigd dat het een legitieme aanvraag is van een geautoriseerde contactpersoon worden in verschillende e-mails de gegevens voor uw account toegezonden.

     

    Een SFTP verbinding kan niet met Windows verkenner of met een webbrowser gemaakt worden. Hiervoor hebt u een zogeheten FTP cliënt software nodig. Dit is een programma waarmee u wel de beveiligde verbinding op kunt zetten. Een voorbeeld hiervan is Filezilla.

     

    Wanneer u de FTP cliënt heeft geïnstalleerd en geopend, kunt u verbinding maken door de volgende gevraagde informatie van de verbinding in te vullen:
     

    Host                                 : ftp.sbggz.nl
    Encryptie / Protocol       : SFTP – (SSH) File Transfer Protocol
    Gebruiker                        : [gebruikersnaam]
    Wachtwoord                   : [wachtwoord]

     

    Nu de verbinding tot stand is gebracht kunt u het bestand plaatsten. Wanneer het bestand geplaatst is verstuurd u een e-mail naar servicedesk@sbggz.nl met als onderwerp: ‘Aanlevering: {bestandsnaam}’